Het Abel Tasman National Park

Het is bijna lastig om van vandaag een redelijke beschrijving te geven zonder te blijven steken in superlatieven of eindeloze herhalingen van de woorden ‘mooi’, ‘schitterend’ enzovoorts.

Wat we hebben gedaan is eigenlijk niet meer dan een tweetal wandelingen van elk zo’n 5 kilometer. Je kan dus makkelijk stellen dat we slechts een glimp van het hele park opgevangen hebben. Zonder er dagen voor uit te trekken en dagen door het park te trekken met niets dan een grote rugzak is het ook onmogelijk meer dan alleen de rand te zien.

Klinkt als niet genoeg? Alsof je hier genoeg van zou kunnen krijgen. Nee, dat is het niet. Het gaat alleen maar om de ontzettende grootsheid van dit gebied. Het is het kleinste nationale park van New Zealand, maar niet minder groots dan andere parken.

We rijden vanaf de camping terug naar Takaka en slaan dan af in noordelijke richting naar Pohara. De weg voert door een weelderig groene vallei om in Pohara aan de kust uit te komen. Hier zien we de gelige rosten die de onderliggende laag van dit gebied vormen. De Takaka Hills die we gister over gekomen zijn, bevatten voornamelijk marmer, dat als donkergrijs gesteente tevoorschijn komt. Het geel van de rotsen en het diepe geel van de zandstranden combineren verbluffend met het heldere water dat een blauw, blauwgroene kleur aanneemt.

Zoals we gewend zijn, slingert de weg er lustig op los, maar in eerste instantie blijven we dicht bij zeeniveau. Voorbij Pohara – en nog wat kleine dorpjes – komen we bij het begin van de wandelpad naar de Wainui Falls. Het is een wandeling van een paar kilometers, maar de parkeerplaats bevindt zich nog in een ruime vallei, met weilanden voor koeien en slechts een eindje verder de dichtbegroeide heuvels waarin de waterval zich schuilhoudt. Het duurt niet lang voor het pad zich naast de rivier voegt en dat geeft een constant bruisend geluid. Het water is kraak en kraak helder. We begeven ons iets van het pad om de rivier te fotograferen vanaf de stenen bedding die zich in de loop der tijd gevormd heeft. Het is bijna niet te zien tussen welke stenen water staat, zo helder is het water.

Het pad volgt de loop van de rivier, maar soms op een iets grotere afstand. Meteen sluit de begroeiing zich dicht om je heen. Wanneer de begroeiing even breekt heb je een prachtig zicht op de zonovergoten rivier, die luid, maar tegelijkertijd redelijk rustig zijn weg naar beneden zoekt.

Op verschillende plaatsen wordt gewaarschuwd voor gevaar van afschuiving. We zien geen recente tekenen, maar hebben die onderweg hiernaartoe langs de geasfalteerde weg wel gezien: vorige week is het hier nog hard tekeer gegaan en dat heeft wat (kleine) landverschuivingen tot gevolg gehad. Veel kan er trouwens niet van het pad afkalven, want dan is er helemaal geen pad meer: het is smal.

Her en der stoppen we om een of meerdere foto’s te maken. Zo ook op de hangbrug vlak voor we bij de waterval aankomen. Of ik even wat foto’s wil maken op de brug, zodat Marije ook kan zien wat er te zien is van de brug. Hoezo? De brug wiebelt nogal… als je er overheen loopt, dan gaat hij op en neer alsof je op een schip in zwaar weer staat.

De waterval zelf heeft zich goed verborgen en ondanks het gebulder van het naar beneden stortende water, horen we ook niet dat we er dichtbij zijn, tot ze ineens zichtbaar wordt. Het dal sluit zich nauw om de waterval en het kleine ronde meertje dat het eerste water opvangt voor het verder afdaalt richting de zee. Er liggen veel rotsblokken waar we opklauteren om de waterval en de regenboog van het door de zon beschenen opspattende water optimaal op de foto te krijgen. Hopelijk is het een beetje gelukt, maar waarschijnlijk haalt het het niet bij de werkelijkheid die wij daar aanschouwden.

We dalen rustig af, genieten onderweg nog van een broodje – en het uitzicht – en stappen weer in de auto voor het volgende doel: dat is Totaranui. De afstand in kilometers van Wainui naar Totaranui is ongeveer gelijk aan de afstand die we sinds Pohara gereden hebben. Het is dus niet al te ver. Het duurt alleen wel aanzienlijk langer: Vlak na de parkeerplaats wordt de weg onverhard – dat op zich is nog geen reden voor een zeer substantiele verlaging van het tempo – en gaat sterk kronkelend omhoog en vervolgens weer even sterk kronkelend omlaag. Oppassen voor tourbussen staat er aan het begin. Gelukkig komen we er geen tegen.

Ik moet natuurlijk nogal opletten en ben redelijk druk met sturen – er zijn weinig momenten dat ik het stuur stil kan houden – en de weg, of eigenlijk de afwezigheid van iets anders dan afgrond of rotswand direct naast de weg, maakt elk foutje een duur foutje. Maar toch: het is schitterend hier. Wat een enorm prachtige uitzichten!

Totaranui blijkt niet meer dan een camping te zijn waar veel wandelingen langskomen en watertaxi’s aanleggen. Dat laatste overigens zonder steiger. Het zijn kleine bootjes met buitenboordmotor die hier als taxi dienst doen. Veel wandelaars lopen tot hier en gaan terug met de watertaxi – of omgekeerd.

Wij maken het niet zo spannend. We wandelen eerst naar Spinner Point, waar we zowaar een Nederlands stel treffen. We zijn nog niet veel Nederlanders tegengekomen. Een praatje en dan gauw weer gedag zeggen. Ieder is op z’n eigen manier aan het rondreizen, heeft z’n eigen plan en een korte uitwisseling van ideeen en ervaringen is leuk, maar toch gaan we allemaal weer snel door.

Wij gaan door in de richting waar zij vandaan kwamen, naar Goats Bay. Dat is niet zo ver van het uitkijkpunt, maar we moeten er wel flink voor klimmen en dalen. Het pad stijgt steil en met verschillende haarspeldbochten. De top blijf lang uit zicht en dat werkt niet altijd motiverend. Maar de omgeving maakt heel veel goed. Je wordt zo nauw omsloten door de begroeiing dat je veel meer in de natuur loopt dan in een Nederlands – of Europees – bos. Tijdens de eerste afdaling realiseren we ons dat we weer vlak langs de kust wandelen en dus diep in het bos en hoog boven zeeniveau.

Goats Bay is een mooie baai, met een mooi strand. Rotsen steken uit het zand omhoog en in het aangespoelde hout zien we ook veel appels liggen. De gids in Marlborough Sounds heeft al verteld dat er tijdens de laatste storm veel appels gesneuveld zijn in dit gebied en in het water terecht zijn gekomen. Een paar ervan zijn dus hier terecht gekomen.

We eten een appeltje – dat we zelf meegebracht hebben – en vangen de terugweg aan. Omhoog dus weer en weer naar beneden. Als we terug zijn op de camping in Totaranui zien we een vogel die wel wat weg heeft van een Kiwi, maar dat toch ook – volgens ons leken – weer niet kan zijn, omdat de snavel wat te kort is. De Kiwi heeft een opvallende lange, puntige snavel. Deze vogel heeft een korte snavel. Onderzoek op internet wijst uit dat het waarschijnlijk om de bedreigde Weka gaat.

De tweede heft van de middag is al ruimschoots aangevangen als we de auto weeer richting Takaka sturen. Rustig de onverharde weg over, langs de Wainui Bay, door Pohara, waar de rotsen schuin over de weg hangen en door de vallei naar Takaka. Snel langs de supermarkt en op naar ons hutje op de camping. Daar blijkt de eigenaar van de camping de deur iets bijgeschaafd te hebben zodat we op beschaafde manier de deur kunnen sluiten. Wel zo fijn als je ‘s avonds de deur dicht wilt doen, zonder de hele camping wakker te laten schrikken.

Vorige dagDe reis naar ZuidVolgende dag