Mount Cook

Nee, we zijn niet in Mount Cook, we zijn in Fairlie, maar we gaan wel naar Mount Cook vandaag. En dat betekent dus eerst 150 kilometer rijden. Dat is hier echter geen straf. Het is niet in een uurtje gepiept – dat moet je niet verwachten in New Zealand – maar het is wel aangenaam rijden. Als we Fairlie uitrijden richting de Burkes Pass valt ons op hoe de herfstkleuren het groen van de bomen langzaam aan het overnemen zijn. De toppen van de helder groen gebladerde bomen die de weg omzomen, hebben al rood-oranje kruinen gekregen.

Na de Burkes Pass wordt alles, zoals gister beschreven, meer dor en woestijnachtig. Dat moet je niet verwarren met saai, zeker niet met de staalblauwe lucht en de koperen ploert die het gele gras in goudgeel deinende zee verandert; die het water doet glinsteren de rotsen van de bergen van kristal doet lijken te zijn. In de verte doemen nu de eerste sneeuwtoppen op – helder wit nu, in plaats van verscholen achter de laatste resten van wolken die er gister nog hingen.

En het water van de meren is nog steeds intens turquoise blauw. Wat een kleuren, wat een helderheid! Bijkomend voordeel is dat de zon de kou van de heldere nacht tot een vage herinnering reduceert. Niet dat we het koud hebben gehad, maar het is wel koud geweest, maar daar is halverwege de ochtend al niets meer van te merken.

De SH80, die van de SH8 naar Mount Cook Village loopt, volgt de westelijke oever van het meer. De weg gaat wat op en neer, maar wij noemen dit inmiddels al een vlakke weg. Het dal is breed hier, pas aan het einde van het meer wordt ook de oostelijke kant van het dal afgebakend door bergen. Het meer heeft geen harde grens aan deze kant. Langzaam zakt de grond onder het waterniveau. Het net droogliggende stuk is vlak, maar begroeid op een manier die doet vermoeden dat het lang geleden is geweest dat hier water heeft gestaan. De vlakke ondergrond is typerend voor dalen die door gletsjers gevormd zijn. Een gletsjer maakt immers een U-vormig dal, terwijl een rivier een V-vormig dal maakt. Ja, we leren wel eens wat op deze reis.

We moeten nog een kilometer of 20 rijden na het uiteinde van het meer, tot we bij Mount Cook Village komen. Iets buiten de nederzetting (met name hotel, resort, vakantiepark en wat barretjes en restautantjes enzo) is het begint van de 6 kilometer lange wandeling naar de gletsjer die vanaf Mount Cook naar beneden komt en het meer voedt met ijskoud water.

En grijs water. Het pad volgt uiteraard de rivier en steekt deze ook tweemaal over. Redelijk aan het begin moet ook nog een zijriviertje overgestoken worden. Het zijn allemaal hangbruggen, waar je met maximaal 20 man op mag lopen. Het zal niet zo zeer aan de kabels liggen, of de houten planken, maar meer aan de beweging van de brug als je er over loopt. Je zou er bijna zeeziek van worden. Neem daarbij het snel stromende water en menigeen zal inmiddels doorhebben dat Marije in een zo recht mogelijke lijn over de brug is gelopen en ik foto’s gemaakt heb van het uitzicht.

Het grijs van de rivier, gokken we, is door het gruis dat de gletsjer meeneemt. Onze gok wordt later bevestigd. Daarbij wordt duidelijk dat de turquoise kleur van het meer ook door het sediment komt: de zwaardere deeltjes zinken naar de bodem, maar fijne deeltjes niet en die zorgen kennelijk voor de bijzondere kleur.

We zien ook dat grote hoeveelheden puin van de bergen om ons heen naar beneden zijn gekomen door de werking van de nu afwezige sneeuw (en ijs). We vragen ons af of hoe dynamisch deze bergen puin zijn: blijven ze elk jaar op dezelfde plek liggen, of is het net als in Doubtful Sound (en dat hele stuk Fjordland) dat het water zich een weg baant naar beneden en elke keer weer een nieuw pad vindt, de begroeiing daar meesleurt, waarop er op die plek weer nieuwe begroeiing komt.

Ongemerkt winnen we aardig wat hoogte. Dat is eigenlijk wel fijn. We moeten toch wat omhoog en dan liever ongemerkt. Na zo’n anderhalf uur lopen begint de wind echter ook flink aan te trekken. Tot nu toe was een T-shirt ruim voldoende, maar nu begint het toch wel fris te worden. Je moet je bij een wandeling in dit soort gebeiden niet verkijken op de afstand: na elke helling die het eindpunt lijkt te zijn, kan er weer net zo uitzien als een paar honderd meter eerder en de berg waar je naar toe aan het lopen ben is dan geen steek dichterbij gekomen. De wind is echter een goede indicatie dat het einde in zicht komt en dat blijkt ook zo te zijn. Na een laatste helling komen we bij het gletsjermeer.

De wind is fel, guur en koud. Voor ons een grijs meer met ijs, soms drijvende stukken, en aan het uiteinde een vuile ijslaag die als een muur het andere eind van het meer bepaalt. En daarachter, de berg die al enige tijd zichtbaar is, maar nu in volle glorie voor ons staat: Mount Cook.

De gletsjer is ver teruggetrokken, wellicht op het verste punt van de jaarcyclus, net zoals zonsopkomst het koudste moment van de dag is. Vanaf nu zal de gletsjer weer gaan groeien, maar niet meer naar het punt waar ze ooit geweest is. Zo’n 100 jaar geleden kwamen de gletsjers van Mount Cook en de omliggende bergen veel verder dan dat we nu staan. Tijdens de laatste ijstijd, iets meer dan 10.000 jaar geleden, waren de gletsjers nog veel imposanter. Nu zijn van beide perioden alleen de restanten van te zien, zoals de vlakte voor de rivier in het meer stroomt en de dalen aan weerszijden van het dal waar we in lopen: je ziet precies het pad dat de gletsjers ooit uitgesleten hebben.

De wandeling die we maken is anders dan de eerdere wandelingen, omdat we nu omgeven worden door hoge bergen; in plaats van dat wij de hoogte ingaan en neerkijken op het landschap onder ons, moeten we nu omhoog kijken. Dat geeft een ander perspectief. Hoe hoger de bergen om ons heen, hoe kleiner we zelf lijken.

Teruglopend zien we beter hoeveel hoogte we gewonnen hebben. In de verte zien we het turquoise blauwe Lake Pukaki, nog steeds in het felle licht van de zon. In het dal beginnen de schaduwen van de bergen al te vallen. Met de schaduwen komt ook een kilheid die de warmte van de dag snel zal doen verdwijnen. We lopen nog lekker in de zon, maar als het donker wordt zal de kou weer heersen. Met de voorspelde regen van morgen zal er wellicht meer wit aan de toppen toegevoegd worden. Het winter seizoen komt eraan.

Wij kijken na een koffie en cola nog even in het naastliggende dal. De gravelweg is inmiddels vervangen door een mooie gladde asfalt weg, maar het laatste stuk moeten we toch echt lopen. Niet zo ver als de eerste wandeling (slechts 10 minuten naar het viewpoint), maar er moeten wel trappen gelopen worden – en dat zonder boswandeling naar een boom. Het uitzicht op de Tasman gletsjer is vergelijkbaar met dat op de Mount Cook gletsjer: een grijs meer met in de verte een zwart witte rand die het begin van de gletsjer markeert. In het water staan nog wat ijsschotsen. En ook hier waait een gure koude wind. Tijd om te gaan. We kunnen wel nog meer foto’s maken, maar dat zal niet beter over kunnen brengen wat we gezien hebben.

Het is tijd om terug te keren. maar dat doen we niet zonder in Lake Tekapo (het dorpje heet verbzingwekkend niet “Tekapo”, maar “Lake Tekapo”) om daar wat te eten. Het duister is al ingetreden als we de Burkes Pass over rijden naar Fairlie.

Het is tijd om te vertrekken – morgen gaan we weer verder. We gaan nog niet helemaal terug. We gaan eerst nog iets verder weg. Als een laatste naschok, een laatste stuiptrekking. Morgen dalen we verder af naar de kust en keren dan weer zuidwaarts richting Dunedin. Daar blijven we tot we terug moeten. Tot de lange reis terug naar het noorden begint, terug naar het noorden van het Zuid Eiland, terug naar het noorden van het Noord Eiland, terug naar het noordelijke halfrond. Terug naar noordelijker dan we hier zuidelijk kunnen gaan. Terug naar huis.

Het is goed om vakantie te hebben aan het einde van ons avontuur in deze uithoek van de wereld. Na de vakantie ga je naar huis en dat dat huis niet in Auckland is, waar het even was, is dan minder opvallend en beter te dragen. Het is tijd om terug te gaan keren. Het is hier goed, maar het is ook goed geweest. Ik wil hier zijn, maar niet hier blijven – een contradictie die zorgt voor een constante trekkracht naar een van beide kanten. Was het Slauerhoff die zei dat de zeeman die op zee is naar het land verlangt en die die op land is naar de zee? Mijn vader heeft er in elk geval ook last van dus het zal wel erfelijk zijn. In elk geval is in Enschede zijn net zo onvoorstelbaar als aan de andere kant van de weg rijden in een auto met het stuur aan de andere kant. Rijden jullie daar in Nederland rechts…?

Vorige dag – De reis naar Zuid – Volgende dag