Te Anau – Doubtful Sound

Het is weer fris geweest vandaag, maar het is niet helemaal een garantie voor mooi weer Te Anau ligt toch weer wat dichter bij het door regen geteisterde Fjordland. Vandaag geven we elke garantie op droog weer op, want we hebben een tocht in Fjordland in de planning. We zullen om 09:00 opgepikt worden door een bus, die ons naar Manapouri brengt dat net als Te Anau aan een meer aan de rand van Fjordland ligt. Per ferry zullen we dat meer oversteken naar West Arm, de ferry landing bij de Manapouri Power station en het begin van de Wilmot Pass. Aan het eind van deze blinde weg zullen we in de boot stappen en tot de Tasman zee varen en dan weer terug. En dan alles weer in tegengestelde richting en volgorde.

De bus naar Manapouri

Om 09:00 worden we volgens het programma opgehaald. Stipt om 09:22 verschijnt een oude oranje bus. Die zal ons komen ophalen, want we hebben de trip bij Go Orange geboekt. We hebben ons trouwens geen moment zorgen gemaakt dat de bus niet zou komen. Daarbij, de schipper zit ook in de bus.

Onderweg verteld de chauffeur annex tour gids al wat wetenswaardigheden. Zoals dat Lake Te Anau het grootste meer van het Zuid Eiland is; eigenlijk zelfs van heel Nieuw Zealand, want Lake Taupo is wel groter qua oppervlak, maar niet qua inhoud. Lake Te Anau is net niet zo diep als Lake Manapouri dat, zoals we later zullen horen, tot voor kort 444 meter diep was, maar tegenwoordig 466 meter diep. Kennelijk is er onlangs nog een dieper punt gevonden dan het eerder bekende diepste punt.

Manapouri Power Station

De tocht over Lake Manapouri duurt een minuut of 50 en we  zitten in dezelfde ruimte als de schipper van het schip. Of we tijdens het wegvaren en aanleggen allemaal even willen gaan zitten, want er was laatst een probleem met de linker motor, maar ze hebben niet kunnen vinden wat het is en het probleem heeft zich niet weer voorgedaan. Maar ‘just to be sure’. En ‘no worries’.

De boot legt aan bij het Manapouri Power Station. De energie die hier opgewekt wordt, is genoeg om het hele Zuid Eiland van energie te voorzien, maar het gaat voor 85% naar de aluminium fabriek in Bluff, net onder Invercargill. De energie behoefte van die fabriek is de reden waarom begin jaren zestig midden in het totaal onhergbergzame en het grootste national park van New Zealand een power station is gebouwd. In eerste instantie was het de bedoeling dat het waterpeil in het meer 30 meter zou stijgen. Dat vonden de Kiwi’s toch geen goed plan en een stuk of 200.000 handtekeningen voorkwamen dat plan. Dat was toen natuurlijk een substantieel deel van de bevolking, waarvan een substantieel deel nooit van Manapouri gehoord had. Er waren in die regio ook eigenlijk alleen wat gravel wegen.

De beslissing om het water niveau niet te laten stijgen heeft natuurlijk wel consequenties. Hoe dan toch voldoende potentiele energie te genereren? Boven water is er niet meer te zien van het Power Station dan een grijze muur en een aantal electiciteits kabels die uit het niets verschijnen. De turbines liggen 176 meter onder het waterniveau. Een 2 kilometer lange tunnel, in een spiraal gelegd, met een hellingspercentage van 10% geeft mensen toegang tot de turbines. Het water gaat er directer naar toe – zoveel zal duidelijk zijn. Het water laat de turbines draaien en wordt vervolgens afgevoerd door een tunnel van 10 kilometer, door het harde graniet van de Southern Alpes, tot het in Doubtful Sound uitkomt. De rivier die het meer aan de andere kant verlaat en richting Invercargill stroomt is sindsdien van een van de grootste rivieren van New Zealand gekrompen tot misschien net iets meer dan een forse beek.

De Wilmot Pass

Als je zo’n indrukwekkende installatie bouwt, dan heb je daar ook indrukwekkende materialen, constructies en apparaten voor nodig. Die konden niet allemaal over Lake Manapouri aangevoerd worden omdat ze niet in Manapouri konden komen. Aanvoeren via Doubtful Sound is dan het meest logische. Het enige dat je dan nog moet doen, is een weg aanleggen. Wel een weg die een heuveltje moet nemen. Dat dan wel. Met slechts een enkele simpele brug is de Wilmot Pass de duurste weg van New Zealand geworden. Volledig geisoleerd, geen andere weg is er mee verbonden, met hellingen waarbij elke vijf meter vooruit een stijging (of daling) van een meter betekent (20% helling dus) en oh ja… het is een gravel weg.

Een klein detail wat betreft het vervoer van de grotere objecten: een turbine weegt 100 ton. Een gemiddelde vrachtwagen zit rond de 25 ton, maar mag 40 ton wegen in Nederland (wat uitzonderingen daargelaten). Of anders: het gewicht van een stuk of 100 personen auto’s. De turbine’s zijn over deze pass vervoert, met drie vrachtwagens. Het totaal gewicht komt dan – beetje gokken en gissen – toch wel uit op iets van 180 ton. En dat moest een 20% helling opgezeuld worden… en ook afdalen… Ren er eens tegen op, dan weet je hoe steil het is!

De bus gaat ook maar langzaam omhoog en nog langzamer de 20% helling af. Geen zorgen hoor, de bus is oud, maar wordt goed onderhouden, zo verzekerd ons de buschauffeur. Elk jaar onderhoud en dan worden de remmen goed nakeken. “Morgen is het tijd voor de volgende onderhoudsbeurt”. Jaja, gevoel voor humor hebben ze wel…

Doubtful Sound

Na de busrit doorstaan te hebben, gaan we aan boord van het schip dat ons door Doubtful Sound naar de Tasman zee zal brengen. Tijdens het passeren van de Wilmot Pass zijn de wolken dichter om ons heen gesloten. Nu liggen ze dreigend over en langs de steile wanden van de bergen om ons heen. Het lijkt soms alsof ze uit de bergen komen. Het zicht mag beperkt zijn, de lucht grijs, het is toch indrukwekkend. Bovendien krijgen we nu een realistischer beeld van de Sound dan wanneer het zonnig zou zijn: 200 dagen per jaar regent het hier en er valt zo ongeveer 6 tot 8 meter regen per jaar. Nu is het tenminste droog op een enkele verdwaalde spetter na.

De naam Doubtful Sound is eigenlijk verkeerd. Dat blijkt ook wel uit de naam van dit gebied: Fjordland. Doubtful Sound is namelijk een fjord en geen sound. Het verschil is dat de eerste door een gletsjer gevormd is en de tweede door een rivier. Gletsjers creeeren U-vormige dalen en daarom zijn de wanden van de bergen om ons heen zo steil. Ze gaan soms echt verticaal omhoog. Zodra de gletsjer smelt, blijft er kale rots over. Er is geen bovenlaag van aarde die de rotsen bedekt en een voedingsbodem vormt voor begroeiing. Tot bijna bovenaan de scherpe toppen van de bergen zijn de hellingen dus begroeid met dicht tropisch bos.

Huh…?

De eerste laag die zich op de rotsen vastklampt is een laag mos. Mos houdt van vocht en er is hier meer dan voldoende vocht. Er zijn hier dan ook veel mossoorten en ook een paar heel bijzondere. Aan deze laag hechten zich langzaam struiken, varens – die hier ook veel voorkomen – en uiteindelijk bomen. De wortels van al deze planten grijpen elkaar en alles vast wat ze kunnen en vormen zo een soort deken die over de rotsige bergen ligt.

Het is redelijk droog geweest de afgelopen dagen, dus er zijn weinig watervallen. Er is ook weinig plek voor het water om zich bovenin te verzamelen. Het valt gewoon bijna meteen van de hellingen naar beneden en de enige weg die ze kan nemen is langs de wortels van de begroeiing. Dat gaat vaak goed, maar niet altijd en dan wordt een deel van de begroeiing het diepe water in gesleept. De sporen daarvan zijn veelvuldig te zien. De mate van herbegroeiing is een indicatie van de tijd die verstreken is sinds de vorige laag begroeiing weggevaagd is

Hoe verder we het fjord door varen en hoe dichter we dus bij de Tasman zee komen, hoe lichter de lucht wordt. Langzaam trekken de wolken zich terug. In de zij armen, waarvan sommige een lengte hebben van enkele kilometers, hangen de witte wolken nog wel, als ware het grote stoomwolken die de bergen uitgespuwd hebben. Het fjord wordt uiteindelijk ook iets breder en dan opeens zijn we bij het einde. De deining neemt plotseling substantieel toe. Golven rollen het fjord binnen en slaan kapot op enkele rotspartijen voor de ingang van het fjord.

De schipper stuurt het schip naar een van de rotseilanden, waar een kolonie zeerobben zich ophoudt. De boot kan heel dichtbij komen, zonder dat de robben zich iets aan lijken te trekken van de menselijke aanwezigheid. Kennelijk weten ze dat we toeristen zijn en geen vlieg kwaad doen. Nou ja, vliegen doen we wel kwaad. De sand-flies houden zich redelijk koest, maar zodra de boot niet op snelheid is, zwermen ze in grote getalen om ons heen en die beesten doen we wel kwaad….

Als de boot de steven weer in de richting van het fjord gekeerd heeft liggen, zien we precies dat wat Captain James Cook ook zag. Sindsdien is er feitelijk niets veranderd. Her en der zal de begroeiing vernieuwd zijn, maar geen mens heeft enige verandering aan dit gebied toegebracht.

Nou ja… door de invoering van konijnen op het Zuid Eiland en de op de konijnenplaag volgende introductie van ratten en wezel-achtigen, heeft de vogelpopulatie het toch wat zwaarder. Zoals de gids bij Franz Josef uitlegde wat de reden is dat de buidelrat (possum) in New Zealand zo’n probleem is: de beesten zijn ingevoerd om de snelbewegende konijnen te vangen en verorberen. Maar er lopen ondertussen ook dikke vette loopvogels rond die in de afgelopen tienduizend jaar evolutie geen enkele vijand hebben gehad. Die naief rond banjerende loopvogels zijn toch ook een best aantrekkelijke prooi voor de roofdieren die geacht worden de konijnenplaag in te dammen.

Wat we ook zien als we het fjord in kijken is meer dan dat we zagen toen we in tegengestelde richting voeren: de lucht is een stuk helderder en dit geeft weer een andere dimensie aan de indrukwekkende omgeving. We hebben kennelijk wat tijd over door het rustige water en varen dus een zij arm in om nog eens van dichtbij – de boot vaart tot letterlijk enkele decimeters van de wand – te bekijken hoe het water van de meer dan vertikale wand naar beneden valt.

Iets later stopt de schipper de boot en laat hem naar het midden van het fjord drijven: er zwemt een gele pinguin. Die komen hier voor, maar zijn normaal al op open zee. Heel dichtbij kunnen we niet komen, want dan duiken ze onder water. Wel zijn we voldoende dichtbij om te kunnen zeggen dat we een echte pinguin in het wild hebben gezien. Kan afgetikt worden….

Tijdens de weg terug is het stiller in de bus over de Wilmot Pass en in de ferry over Lake Manapouri. Iedereen lijkt vol te zitten van alles dat er te zien is geweest. Op een of andere manier wordt je er ook moe van. We vullen de avond dan ook met een paar spelletjes Ticket to Ride en een fles witte wijn.

Vorige dag – De reis naar Zuid – Volgende dag