Van Queenstown naar Fairlie

Naar waar….? Er zullen bij de plaatsnamen van de laatste dagen vast her en der wel wat onbekende voorgekomen zijn; dat zal zelfs voor een stadje als Invercargill gelden. Queenstown is bij velen wel bekend, maar een plaats als Te Anau? Of Wanaka? En dan hebben we het nog niet eens over al die plaatsnamen van nederzettingen die we passeren en ik hier nu niet kan reproduceren vanwege hun toch enigszins – voor ons – ongebruikelijke spelling. Geen idee ook hoe die namen uitgesproken moeten worden.

Het maakt ook allemaal niet zo heel veel uit, want Marije weet de helft van de tijd niet waar ze is – volgens haar eigen zeggen. Dat kan een tikje problematisch zijn, aangezien zij de navigatie doet. Tot nu toe gaat dat echter prima, maar het New Zealandse wegennet is dan ook niet echt uitdagend wat navigatie betreft.

Fairlie – laten we daar eens op terugkomen. De vraag was waarom we hier zijn en die is eenvoudig te beantwoorden met: Mount Cook. Voor de snellerikken die nu Google Maps al even geraadpleegd hebben: de afstand tussen Fairlie en Mount Cook is inderdaad zo’n 150 km. Daarbij zijn we vandaag vanaf Queenstown langs Twizel gekomen, vanwaar de 60 kilometer lange weg naar de berg begint en zijn vervolgens nog eens een 90 kilometer doorgereden. Er is iets met broeikas effect en zo bezien hebben we deze trip niet handig gepland.

Maar ja… Waarschijnlijk omdat de voorspelling is dat het dit weekend goed weer zou worden – en het dat ook is – was alles dichter in de buurt ofwel vol ofwel nogal boven ons budget. Beetje laat begonnen met een plek zoeken…

Een andere reden om in Fairlie terecht te komen is er niet – of je moet van de rugby club van het naastgelegen dorp zijn. Geen woorden meer aan vuilmaken dus.

Vandaag hebben we wel een heel mooie rit gehad. Het eerste stuk vanaf Queenstown gaat door bergachtig gebied. Bijna uiteraard volgt de weg de loop van de rivier. Om ons heen zijn de bergen kaal, maar niet zo rotsig als verder naar het zuiden. Wel dor – het is hier duidelijk droger dan aan de westkant van de Southern Alpes. De hoofdkleuren om ons heen zijn dan ook bruin en geel. Maar ook weer fris groen, van de bomen en struiken die bij de rivier staan en door het frisse water zich met levendige kleuren hebben kunnen tooien.

Het is ook mooi om te zien hoe steeds de heuvels dan weer nauwer om ons heen sluiten, dan weer zich terugtrekken om plaats te maken voor een groene vallei, waar vee graast en alles een wat meer idyllisch karakter krijgt. Langzaam krijgt de vlakte de overhand en trekken de bergen zich terug tot schaduwen aan de horizon. Rechts de donkere mastodonten van de alpen, links de glooiende, maar dorre heuvels van het naar zee aflopende land. Veel water stroomt er niet door de valleien, want dat wordt allemaal vast gehouden in de drie grote meren, waar ook stuwdammen in gebouwd zijn: Lake Ohau, Lake Pukaki en Lake Tekapo. De eerste zien we niet, omdat het ruim 15 kilometer van de SH8 ligt, de andere twee passeren we wel. En dat is fantastisch mooi…

Het water in de meren is van een intens blauw – zo blauw dat het bijna niet echt lijkt. Het is lichter, minder groen dan turquoise, maar misschien is dan nog de beste beschrijving van de kleur. Het water komt ook hier direct van de gletsjers, die dit hele gebeid gevormd hebben toen ze nog een stukje groter waren, lang geleden tijdens de laatste ijstijd. Het zijn dit keer niet de mensen die voor de terugtrekking van de gletsjers gezorgd hebben, op de laatste meters na dan.

De gletsjers hebben gezorgd voor vlakke plateau’s in het landschap. Het ziet er tot op zekere hoogte uit als grote rivierbeddingen, zeker omdat de begroeiing karig is. Ook dat maakt trouwens de blauwe kleur van het water zo intrigerend: het contrast met de overige kleuren in het landschap.

Bij Lake Pukaki stoppen we voor de lunch. Langs dit meer zullen we morgen richting Mount Cook rijden – dat is die berg die we in de verte zien. Helaas kijken we tegen de zon in en zit er voldoende vocht in de lucht – ondanks de heldere, strak blauwe lucht om de berg met een waas van onscherpte te bedekken. De mooie foto’s van de berg komen morgen wel, voor nu houden we het bij het fotograferen van het meer en de kansloze poging om de kleur blauw in de camera te vangen. Het is alsof de camera deze kleur ook als zo onwerkelijk beschouwt dat ze er maar wat anders van maakt.

Op het toilet hangen plakaten met, in het Chinees, Fillipino, Hindi, Koreaans, Engels en Japans, de koptekst: “Welcome in South Canterbury” gevolgd door de openingszin: “Most accidents happen …”. Vier redenen worden gegeven (vermoeidheid, snelheid, afleiding en niet links rijden), met een kaart die de locatie van het ongeluk en de oorzaak aangeeft. Er staan best veel tekens. De lange, vrij rechte weg leent zich ook prima om in slaap te vallen als je een te lange afstand op de New Zealandse wegen wilt afleggen. Zeker met de “sukkel”-snelheid van slechts 100km/u (dus sommigen gaan maar wat harder). En het is ook zo rustig dat je veel te weinig verkeer tegenkomt om je er van bewust te maken dat het beter is links te rijden.

Voor ons allemaal niet van toepassing. We rijden rustig, want we hebben alle tijd, we leggen per dag maximaal iets van 300km af en stoppen regelmatig, en rechts rijden is echt een bizar idee voor ons. Alhoewel – misschien moet ik het anders zeggen: het idee van links en rechts is wat vervaagd, maar ik kan me niet anders voorstellen dat dat je aan de kant van de weg rijdt waar we nu rijden.

Bij Lake Tekapo is een observatorium. Daar kijken ze dus naar de sterren. Je kunt het bezoeken – wat we dan ook doen – maar houden het bij een wandeling over de berg waar het observatorium op gevestigd is (Mount John). De berg staat als een einzelganger aan de zuid-oost kant van het meer, vlakbij het dorpje en de SH8. De noord- en west zijde van het meer zijn omgeven door bergen, terwijl de gletsjer langs de zuidelijke en deels oostelijke kant ooit zijn weg naar zee gebaand heeft. Het uitzicht over het meer is van hier bijzonder mooi, maar ook het uitzicht over de plateau vlaktes is adembenemend. In de verte is ook nog een glimp op te vangen van het kanaal dat tussen dit en het andere meer is gelegd. Ook dat water heeft die ontzettend blauwe kleur.

Een nachttour is wel heel verleidelijk, maar ook heel duur… Toch maar niet. Wel mogen we door (eclipse) brilletjes en door een telescoop naar de zon kijken. Slechts een zonnevlek te zien op dat moment, maar of het dan nu – met een minuut of acht vertraging – warm of koud weer wordt is daar niet uit op te maken. Met een andere telescoop mogen we nog een blok op Venus werpen. Een beetje wazig beeld, maar de kleine planeet staat altijd vrij dicht bij de zon en die stoort nogal.

Na deze laatste stop rijden we nog over de Burkes Pass, die gelukkig niet bepaald bochtig is, en komen dan in Fairly aan. Daar hebben we al meer over gezegd dan je eigenlijk voor mogelijk kan houden, maar ze hebben er wel een hotel en daar zitten we dus nu.

Vorige dag – De reis naar Zuid – Volgende dag