Van Te Anau naar Invercargill

Het is wat bewolkt, maar het weer is helemaal niet zo slecht. Op dit moment. Het gaat slechter worden hier, dus we vertrekken. We gaan op pad naar het zuiden. Naar Invercargill. Waarom? Volgens mij was het het plan van Marije en volgens Marije was het mijn plan. Ik weet het niet meer, maar wil de schuld wel op me nemen. Invercargill is namelijk helemaal in het zuiden en dat – de polen zijn immers magnetisch – trekt mij dan weer aan.

We rijden weer naar Manapouri en blijven vandaar langs de grens van Fjordland rijden. De bergen van Fjordland blijven ons als donkere schaduwen aan de rechter kant vergezellen, maar we rijden door een golvend landschap. Het land is grotendeels ingericht voor veeteelt, maar er zijn ook delen die nog zijn zoals de boeren ze een paar honderd jaar geleden vonden, zoals de buschauffeur dat gister ook opmerkte. Dat is voor ons Nederlanders natuurlijk onvoorstelbaar. Waar vind je nog een stukje Nederland dat er net zo uitziet als toen de eerste bewoners er arriveerden. Hier zijn dat trouwens niet de allereerste bewoners uiteraard, maar de Maori hebben niet veel aan het landschap veranderd.

Het weer wordt er al rijdend naar het zuiden niet minder op. We hebben slechts een geringe afstand te overbruggen en de weg rijdt makkelijk. We stoppen dus in Tautapere, waar we bijna bij de zuidelijke kust van het Zuid Eiland zijn, voor een kop koffie/thee. Als we bijna op het punt staan om te vertrekken, komt er een oudere man buiten zitten. Een praatje is zo gestart, daar hoef je hier niet veel voor te doen. Ook dat maakt New Zealand eigenlijk een heel prettig land: de Kiwis zijn open, relaxed en sociaal vaardig. De koffie pauze duurt dus wat langer, maar het is wel leuk om naar de verhalen van de beste man te luisteren.

De Tourist Highway die we volgen voert ons langs de kust. Soms wat dichter er bij, soms wat verder er vanaf. Het landschap is agrarisch, vriendelijk, maar we zien weinig hoogtepunten. We zijn als snel in Invercargill. Iets te snel, want we kunnen nog niet in ons hutje op de camping in Totatara, een paar kilometer van Invercargill. Dus het Capitool reisboek er maar bijgepakt om te kijken wat we eigenlijk kunnen bekijken in Invercargill. De oude man in Tautapere vroeg, en niet als eerste, of we ook naar de Catlins (de spelling hebben we pas later uitgevonden) gingen. Die zijn wat ver weg om nu nog even fatsoenlijk mee te pakken, maar we zetten het op de agenda voor morgen. We hoeven alleen maar terug naar Queenstown, dus tijd zat voor een ommetje.

Net onder Invercargill ligt Bluff – daar is die fabriek die zoveel stroom nodig heeft. Wat deden ze ook alweer? Even in het boekje kijken. Niets over de aluminium smelter, maar wel dat de SH1 in Bluff begint. Dat is interessant. We zijn immers ook op het meest noordelijke punt van de SH1 geweest. We rijden er dus heen en fotograferen de wegwijzer, waar naast een heleboel grote steden op de wereld (behalve Enschede) ook Cape Reinga staat. Cape Reinga is wel veel mooier. Bluff is niet bepaald een mooi stadje. Gelukkig kunnen we over de zee uitkijken als we van onze lunch genieten.

We zijn inmiddels dichter bij de zuidpool dan bij de evenaar. Het scheelt een graad of wat (46 graden en een paar minuten). Onder ons ligt nog Stewart Island en dan is het volgende land Antartica. Links van ons is ergens misschien nog een randje New Zealand – het meest zuidelijke punt van het Zuid Eiland ligt iets ten oosten van Bluff – rechts niet. Het volgende land dat je aantreft als je in een van beide richtingen vaart is dat van het zuiden van Zuid Amerika. Dat is overigens meteen ook de reden waarom de westenwinden zoveel vochtige lucht naar de westkant van het eiland brengen.

Als we na ons geinstalleerd te hebben op de camping terugrijden naar Invercargill om dat stadje te verkennen, beginnen we ons toch af te vragen waarom we hierheen zijn gekomen. Het stadje is volgens Amerikaans model gebouwd, met rechte straten, maar nog net geen genummerde zijstraten. De bebouwing is laag en blokvormig. Het doet eerlijk gezegd een beetje deprimerend aan. Gelukkig is er wel een mooi park, waar we even door heen wandelen. De stad zelf is allerminst bruisend te noemen. Wellicht wordt onze mening nog bijgesteld als we de Catlins hebben gezien, maar vooralsnog heeft Invercargill ons niet kunnen overtuigen.

Vorige dag – De reis naar Zuid – Volgende dag