Van Wanaka naar Te Anau

De sterrenhemel is ronduit prachtig als ik ‘s nachts even de cabin uit moet. Het is dus ook behoorlijk fris. Maar ‘s ochtends warmt de zon ons aardig snel op: geen wolkje aan de lucht dat dat kan verhinderen. We rijden van Wanaka door een mooie vallei richting Queenstown. Dit is het ski gebied in de winter. Veel wintersporters verblijven dan ook in Wanaka. Nou ja: kennelijk. Wij vragen ons af waarom, omdat er werkelijk geen enkele skilift of wat dan ook te ontwaren is en het kan ook niet zijn dat je dan eerst ‘die-en-die’ zijweg in moet, want zijwegen is een concept dat nog niet echt doorgedrongen is hier.

Aan het einde het dal klimmen we geleidelijk steeds steiler naar een fantastisch uitzichtspunt van waar we een hoekje van het meer en de stad Queenstown kunnen zien. Hier is het nog wel koud. Het zal slechts een enkele graad boven nul zijn. De afdaling is een stuk steiler dan de beklimming en ook bochtiger. Aan het einde is de helling domweg te steil en dalen we via een serie haarspeldbochten af naar het dal, met groene velden, helder groene bomen en vlak asfalt.

We rijden Queenstown in om rond te kijken of het mooi genoeg is om op de terugweg met een tweede, langer bezoek te vereren. Na een wandeling, een kop koffie en een kort bezoek aan de i-site weten we genoeg: hier kunnen we ons wel een dag vermaken. Niet nu, want nu gaan we door naar Te Anau.

Het uitzicht is fenomenaal. Ik heb het geloof ik vaker gezegd, maar het geldt toch echt ook voor deze plek. Het water is helder blauw en de bergen eromheen zijn groot en groots. Indrukwekkend is misschien wel een goed woord. De bergen zijn kaal, daar waar ze aan de westkust begroeid waren met tropisch bos, zijn het nu slecht stugge struiken die de hellingen begroeien, of zelfs niet meer dan gras of mos. Daar waar het rotsige binnenste van de berg niet door de dunne huid van begroeiing heen komt, zien de bergen geel, met groene stippen van de eigenwijze struiken die de hellingen bevolken.

Na enige tijd verlaten we het meer en de weg wordt vlakker. We rijden duidelijk op een hoogvlakte. De bergen verdwijnen wat naar de achtergrond en de laatste die in het zicht blijven zijn wat ronder, wat liever dan de scherp rotsige mastodonten waar we eerder langsreden. Vlak, akkerbouw, veeteelt. Zodra de ruimte er is, is het land gecultiveerd. Maar het is zeker niet saai.

Richting Te Anau wordt de vlakte weer wat meer glooiend en komen de heuvels weer meer op ons af. Aan de horizon verschijnen de blauwgrijze schaduwen van de bergen die de oostelijke grens van Fjordland vormen. Het is duidelijk, zo lijkt het beeld te willen zeggen, dat er niet met hen te spotten valt.

Te Anau is een ‘gateway’. Van hier kun je verschillende kanten op, op verschillende manieren, om de Fjordlands verkennen. Je kunt van hier het gebied in hiken, je kunt naar Milford Sound rijden – of gereden worden – je kunt naar Doubtful Sound gaan, je kunt vanuit een helicopter het gebied aanschouwen enzovoorts. Maar eigenlijk is er in het plaatsje zelf niets te doen.

We maken een wandeling door het dorpje, kopen nog wat souvenirs (want dat kan hier uiteraard wel), zien hoe de grijze wolken die over de bergen toppen kwamen zich terugtrekken en besteden de avond aan het plannen van een deel van de reis die nog voor ons ligt. Niet alleen een paar nachten in Queenstown, maar ook boeken we de terugweg: de boot naar het noordeiland, camping in Wellington, kamer in Ponsonby, Auckland – vlak bij waar het huisje dat ons huisje was ligt. Dat geeft de gelegenheid voor een goed afscheid.

Vorige dag – De reis naar Zuid – Volgende dag